LAMLEH VERSUS LUNEVILLE
|
Op het net lazen wij een interessant artikel over de verschillen in lijnen van de Tibetaanse Terrier. Met dank aan Yvonne Barendregt-Willis die het artikel vertaalt heeft naar het Nederlands.
Mrs Jane Reif is een erkende autoriteit met betrekking tot de Tibetaanse Terriër. Zij is ook al vele jaren actief in het ras. Mrs. Reif is er ook voor verantwoordelijk dat een aantal uitstekende boeken over de Tibetaanse Terriër waaronder ‘The Tibetan Terrier Book’ and ‘Reflections on the Tibetan Terrier’ zijn uitgegeven. Tegenwoordig schrijft zij de Tibetaanse Terriër ras bijdrage voor het AKC Gazette tijdschrift.
Dit artikel werd eind zeventiger jaren in de AKC Gazette gepubliceerd en later herdrukt in de Canadian Tibetan Terrier Tidings nieuwsbrief. Het gaat over de subtiele verschillen tussen de Lamleh en Luneville lijnen in Tibetanen.
Het standpunt van de schrijfster is dat een goede Tibetaan een goede Tibetaan is, ongeacht de afstamming. Het artikel is leerzaam omdat zij daarin een poging doet om dit ingewikkelde onderwerp, waarover nieuwe eigenaren telkens weer met vragen komen, te behandelen.
In de 18 jaren na dit artikel is deze zaak nog onduidelijker geworden maar haar perspectief is nog steeds interessant wanneer wij haar bevindingen vergelijken met onze hedendaagse Tibetaanse Terriërs. Het bevat ook zeer veel nuttige informatie voor nieuwe eigenaren, vooral met betrekking tot de oorsprongen van het ras.
Weergegeven dankzij de toestemming van de Schrijfster – Jane Reif
Onlangs kreeg ik een brief van een nieuwe eigenaar die, vol enthousiasme, wilde ‘alles leren over het ras’. Op dat moment zat ik tot boven mijn oren in werpen, dekken, verenigings verplichtingen en alle andere zaken die ons als fokker – exposant in beslag kunnen nemen. Toch was een van die vragen die dit aardig meisje van Texas stelde zeer bekend:
“Vertel – wat is het verschil tussen de Lamleh en de Luneville Tibetanen?”
Toen had ik er geen tijd voor (en nu eigenlijk ook niet) maar terwijl ik mijn nieuwe puppies gadesloeg dacht ik na over haar vraag. Het is ook een veel gehoorde vraag en een die ik ook zelf heb gesteld. In vele aspecten is er ook geen antwoord op want er wordt tegenwoordig zo weinig zuiver “Lamleh ‘ of ‘Luneville’ gefokt, behalve dan Lehlam (voorheen Lamleh) en Luneville die beide nog steeds actief zijn in Engeland. In dit land is er Kalai die op Lamleh gebaseerd is en die door Ms. Tyrell werd voortgezet na de dood van Mrs. Murphy.
De meerderheid van alle Tibetanen lijnen zijn een resultaat van uitcross tussen deze twee stammen. Na hun oorspronkelijke uitcross bleken de fokkers heel sterk te neigen naar de ene of de andere van deze twee lijnen. Zij baseerden hun keuzes op hun eigen visie van hoe het ras moest zijn.
Om dit allemaal te kunnen begrijpen moet men terug gaan naar de oorspronkelijke lijnen, om te beginnen, naar de Lamleh Kennel van Dr. A.R.H. Greig in Engeland. (Latmah and Ladkok zijn de namen van de verwante kennels van haar moeder en zuster). Deze eerste Tibetanen werden door ‘Nancy’ Greig vanuit Noord India en Tibet overgebracht. Zij begon al vroeg, want Dr Greig was een telg uit een ‘hondse’ familie, en ontwikkelde een aantal belangrijke lijnen binnen haar eigen Lamleh stam. Deze eerste honden deelden een aantal geprononceerde kenschetsende eigenschappen: een vierkante, stevige verschijning; een dubbele, ruige vacht; een hooggeplaatste overvloedige staart; grote, platte voeten; een vrij natuurlijke hondenkop en wat leek lage hakken te zijn. De meeste waren goudkleurig of goud met wit alhoewel een aantal tweekleur, driekleur en zwarten verscheen later.
Vanuit die vroege foto’s kunnen wij zien dat, al doende, Dr. Greig haar type iets verbeterde. De honden van na de oorlog hadden niet altijd dat vrijpostige uiterlijk van haar eerste honden. En, door de foto’s op volgorde te plaatsen, kan die ontwikkeling gevolgd worden. Jana of Lamleh (rechts), Crufts winner in 1939, is een veel ‘verfijnder’ Tibetaan dan ‘Bunti’ (links) Dr. Greig’s eerste.
Rond 1960 lieten Connie en John Downey van de bekende Luneville kennel hun Tibetaan teef, Luneville Lady Penelope, dekken door Ch. Kala Kah of Lamleh (een zeldzame zwarte van Dr. Greig) Uit deze combinatie kwam de beroemde dekreu Eng. Ch. Luneville Prince Khan. Dit zou het ras op een diepgaande wijze veranderen.
Lady Penelope was een dochter van Ch. Trojan Kynos de V.D.O (Verdere Details Onbekend) hond die John Downey vond in het havengebied en die later door de Kennel Club als Tibetaanse Terriër geverifieerd werd. Ch. Princess Aureus van de Downey’s was zelf een dochter van Princess Chan, een andere V.D.O. Tibetaan, en van Ch. Pa Sang of Lamleh van Dr. Greig.
Na de mating van Kala Kah met Penelope begon Dr. Greig een heftige en gepassioneerde strijd tegen de Downey’s en Luneville waarbij zij beweerde dat de honden ‘onzuiver’ waren. Zij verkocht haar fokproducten in Duitsland, Zwitserland, Zweden en de Verenigde Staten maar nooit meer aan Engelse fokkers. De Downey’s gingen door met lijnteelt op hun eigen fokmateriaal om hun eigen ‘type’ neer te zetten. In de ring werden hun honden ook goed gepresenteerd en mede daardoor trok een Luneville vaak veel meer aandacht dan een Lamleh van Dr. Greig.
Deze trieste ontwikkeling bleek een zegen te zijn voor de Verenigde Staten want Dr. Greig stuurde uitstekend materiaal naar Dr. en Mrs. Murphy die de Kalai kennel stichtte in 1957. In essentie was het verlies van Engeland winst voor ons! Op dit Lamleh materiaal zette Mrs. Murphy haar eigen stempel zodat vandaag de dag Kalai is zelf een individuele lijn maar wel gebaseerd op Lamleh.
Nou, wat zijn de verschillen en wat zijn de overeenkomsten? In onze hedendaagse rasstandaard is er erg veel nadruk op ‘hoofd’, en terecht. In mijn oog (en niet mijn oor) tonen de Lamleh, Kalai en Luneville hoofden verschillen. In Kalai en Lamleh is de verhouding een op een met de ogen (oogzet) op gelijke afstand van de neusleer tot het midden van de schedel waardoor een vierkant wordt gevormd.
Het verschil tussen Lamleh en Kalai is zeer gering maar het Kalai hoofd is iets meer wigvormig. De neusleer op Lamleh is groter, sterker uitziende en het hoofd is krachtiger maar behoudt hetzelfde vorm. Voor mij is het Luneville hoofd wat meer rechthoekig met de ogen iets dichter bij elkaar, ( niet dicht, alleen maar dichter) De schedel en snuit neigen soms naar een Beardie uiterlijk met nu en dan een vleugje Romeins in de snuit. Het is echter belangrijk om te beseffen dat een GOED Tibetaan hoofd van deze lijnen zeer nauw overeenkomt met een GOED Tibetaan hoofd van de andere lijnen. Anders gezegd, uitmuntendheid valt binnen ware type. (Zelfs met kleine variaties is de thema hetzelfde).
Naast de variaties in hoofden is er meer. In de vroege jaren werd de Shahi-Taj lijn van Bill Walsh gesmeed uit een uitcross van Kalai en Luneville. Omdat Walsh een professionele fokker was werd zijn invloed als sterk ervaren. Tegenwoordig, terwijl veel van de fokkers die begonnen waren met Shahi-Taj materiaal neigen sterk in de ene of de andere richting naar de oorspronkelijke lijnen, de meeste hebben voor Luneville gekozen. Dan vinden wij een distillatie van de Engelse Luneville dat moeilijk valt onder woorden te brengen maar die is er wel.
Vele van deze honden hebben niet de borst diepte of de ronding van de lendenen van de ‘zuiver’ Luneville honden. Zij zijn vroeg volwassen, hebben een mooie vacht en een schone temperament, hun voeten zijn wat kleiner en hun hoekingen achter wat rechter. Vaak zijn zij aan de kleine kant en hebben de neiging om te ‘verlengen in verhouding’ (met het iets korter been) en te lang in de nek te zijn.
Terwijl Kalai wat verfijnder is (meer gelikt?) in uiterlijk dan de vroege Lamleh heeft het dat uiterlijk van een ‘overlever’ behouden dat men bij bijzondere rassen treft. Een goede Saluki heeft dit ook, een nagenoeg perfecte uitdrukking van vorm in navolging van functie. Zo is het dat de meeste Kalai honden zien er uit alsof zij kunnen overleven. De goede bezitten een ‘aanwezigheid’. Wel merk ik fysieke verschillen onder de Kalai. Er is meer verschil van grote dan in de Luneville lijnen, of in lijnen die gebaseerd zijn op Luneville en zij zijn later volwassen. Mijn stammoeder is een ‘zuiver’ Kalai, een kleindochter van Shanak. Terwijl zij een gematigde formaat heeft ( 14-3/4 inch) is haar volwassen ‘vecht’ gewicht 25 pond(U.S.) Zelfs aan het einde van de dracht met een gewicht van 28 – 29 pond verandert er weinig aan haar zwaartepunt; haar uiterlijk en gedrag blijven nagenoeg onveranderd. Zij heeft beeldschone lendenen, een krachtig lichaam, zeer diepe borst en een sterke, goed gespierde neklijn, maar als een echte Kalai was dat met haar niet altijd het geval. Met 12 en zelfs 18 maanden was zij een en al benen, botten en ellebogen en woog amper 18 pond. Zij is mijn persoonlijke voorbeeld van hoe een hond uit de Kalai lijn in volwassenheid kwalitatief kan rijpen. Zij vertegenwoordigt ook twee lijnen van de vijf die zij zelf, volgens Dr. Greig, naar dit land stuurde. Andere Kalai Tibetanen zijn lichter van bone en lijken wat meer gestrekt in het algemeen. Ook deze twee variaties buiten beschouwing latend is er gewoon meer geduld nodig als men met Kalai of Lamleh te maken heeft, maar dat is ook het geval met een bijzondere wijn.
In Kalai is er ook een breed verschil in vachten van bijna steil tot zo zwaar golvend dat het bijna krult. Allen hebben een zware ondervacht.
Ook typerend voor de Kalai zijn grote, platte voeten, lage hakken en een achterste dat iets breder is dan het front. Een foutje van de lijn is een neiging tot over sterke hoekingen, net als een neiging tot steilheid in de achterkniegewricht een foutje is dat voorkomt in de Luneville lijnen.
Om beide lijnen (en hun sub-lijnen) volledig te kunnen vergelijken zou men eigenlijk honden naast elkaar moeten zetten aan de hand van hun ontwikkelingsleeftijd in plaats van hun echte leeftijd. Dan zou je uitersten kunnen krijgen zoals een pup van 8 maanden die vergeleken wordt met een driejarige hond.
Vanuit mijn eigen oogpunt, (en wij zijn allemaal subjectief) geef ik de voorkeur aan het middengrond. Ik heb bewondering voor de vachten, temperamenten, hoge staartzet, en sterke lijven van de Engelse Lunevilles. Maar ik wil ook net zo lief dat klassieke Lamleh hoofd, de verhoudingen en algemene indruk, ook de grote voeten (zo wel gezet in de Kalai) en de sterke achterhanden van die lijn behouden.. Ik vind het niet erg om een paar jaar langer te moeten wachten totdat de hond ‘af’ is. Er zijn grote voordelen in een Tibetaan die er langer over doet om volwassen te worden, (al weten de keurmeesters deze niet altijd te waarderen) Enthousiasten van elke lijn zijn zeer vastberaden met betrekking tot de Tibetaan, misschien meer dan in welk ander ras, en daarom is het niet eenvoudig om naar het midden toe te gaan. Ik zou er ten slotte op willen wijzen dat GOEDE Tibetanen, ongeacht de lijnen waarvan zij afstammen, bezitten meer gemeenschappelijke overeenkomsten dan verschillen.
Laten wij als voorbeeld kijken naar een afbeelding van Int. Ch. Chamar’s Chamar gefokt door Aniette Ljoner-Larrson in Zweden uit zuiver, oud, Lamleh materiaal en dan naar een andere hond, Int. Eng. Duitse Ch. Willowbrae Willow, zuiver Luneville, een zoon van Eng. Ch. Luneville Prince Khan, in Engeland gefokt en nu woonachtig in Duitsland. Hier zien wij twee volwassen Tibetaanse Terriër reuen die wel nest broers hadden kunnen zijn. Wanneer het gaat om uitmuntendheid zijn de verschillen misschien meer gering dan dat wij gedacht hadden.
| |
|