DE GEVOLGEN VAN DE POPULAIRE DEKREU
|
door Dr. Jeff Sampson, ‘The Kennel Club Canine Genetics Coördinator’
artikel uit De Labrador Post, december 2001
MATADOREN
Vrijwel elk ras heeft in het verleden te maken gehad met het gegeven, dat een enkele of een beperkt aantal reuen de ‘vader’ was van alle pups gedurende een aantal jaren.
Het is niet zo moeilijk om vast te stellen waarom dit gebeurt en waarom een enkele reu - of een kleine groep reuen - zo’n invloed heeft op het fokprogramma. De desbetreffende reuen beschikken vermoedelijk over een of meerdere felbegeerde kwaliteiten die de fokkers graag in hun lijnen willen introduceren:
een uitmuntend ‘type’ of uitmuntende werkeigenschappen, of een andere eigen- schap waardoor er als het ware een run op deze reu(en) ontstaat. Het komt meer dan eens voor, dat dergelijke populaire dekreuen (of ‘matadoren’, zoals ze in de USA worden genoemd) een ras gedurende meerdere jaren als het ware domineren.
GENETISCHE FLESSENHALS
Het spreekt vanzelf dat reuen met uitzonderlijk goede eigenschappen de kans moeten krijgen om hun goede eigenschappen (of in elk geval de genen die met deze kwaliteiten verbonden zijn) door te geven aan toekomstige generaties, zodat het hele ras hiervan profijt kan hebben. Maar we moeten ons goed realiseren dat een te grote inzet van een bepaalde reu wel degelijk ook nadelige effecten heeft op het ras.
De meeste rassen hebben op bepaalde momenten te kampen (gehad) met een zogenaamde ‘genetische bottleneck’ ten gevolge van de te grote invloed van één enkele bepaalde reu of een kleine groep reuen. Een direct gevolg van deze onevenredige inzet is een grote aanslag op de genetische variatie in het ras. Bovendien schuilen er nog meerdere potentiële gevaren op langere termijn in het op grote schaal inzetten van een beperkt aantal dekreuen.
RECESSIEVE MUTATIES
Het staat buiten kijf en discussie dat rassen kunnen profiteren van de genen die een goede hond kan doorgeven. Helaas kunnen wij van onze honden niet hun totale genetische samenstelling, zijn genotype, in kaart brengen, om de eenvoudige reden dat wij het allergrootste deel van het erfelijke materiaal niet kunnen zien. Sommige honden die drager zijn van zeer gewilde eigenschappen, kunnen tegelijkertijd onopgemerkte schadelijke recessieve mutaties dragen en doorgeven. Een onevenredige inzet van deze honden zal leiden tot een ongewenste en snelle toename van deze ongewenste schadelijke genen. Uiteindelijk zal het aantal dragers van deze afwijking(en) zo hoog worden, dat het onvermijdelijk zal zijn dat zulke dragers veelvuldig met andere dragers zullen worden gepaard, met als gevolg dat de pups die uit deze combinatie worden geboren homozygoot (fokzuiver) zijn voor deze recessieve mutatie(s).
Als het dan een erfelijke afwijking betreft, zal dit onvermijdelijk een toename van het aantal lijders tot gevolg hebben, waarvan een ras zwaar te lijden kan hebben.
SCHADE BLIJFT EERST ONOPGEMERKT
Vanwege de recessieve aard van veel schadelijke mutaties in de hond, kan het een aantal jaren duren voordat deze negatieve gevolgen voor het eerst worden opgemerkt.
Voeg hier nog aan toe, dat de kans bestaat dat deze afwijking zich pas op latere leeftijd openbaart (laten we zeggen niet voor het derde levensjaar), dan zult u begrijpen dat het heel goed mogelijk is dat de onevenredige inzet van een enkele reu pas jaren later zichtbaar wordt in een ras.
'UITFOKKEN'
Een aantal fokkers zal als oplossing proberen onverwante lijnen van de populaire dekreu in kaart te brengen, om zodoende als het ware het probleem ‘eruit te fokken’.
Als de invloed van een beperkt aantal dekreuen evenwel bijzonder groot is geweest in het verleden, dan zal het fokkers nog niet meevallen om dergelijke onverwante lijnen te vinden in hun zoektocht naar reuen die ‘vrij’ moeten worden geacht van die bepaalde ongewenste afwijking: reuen die de fokkers nodig hebben om problemen in de toekomst te voorkomen.
GENETISCHE VARIATIE NODIG UIT LIJFSBEHOUD
Ik vertelde reeds dat een van de directe gevolgen van het gebruik van populaire reuen een ‘genetische bottleneck’ is en een onvermijdelijk verlies aan genetische variatie in het ras.
De meeste fokkers proberen hun ras te verbeteren en de enige manier om dit te bereiken, is door het benutten van de binnen dat ras bestaande genetische variatie, zodat er nieuwe genetische combinaties ontstaan, waardoor de
kwaliteit en de gezondheid van de nakomelingen verbetert.
NUT EN NOODZAAK OUTCROSS
Ook individuele fokkers zitten wel eens in een dilemma wat te doen als zij een eigen ‘lijn’ willen ontwikkelen: ‘Op welk moment moet ik stoppen met line-breeding en een out-cross toepassen? Linebreeding leidt onherroepelijk tot een terugloop in genetische variatie in deze lijn en legt het ‘type’ vast.
Echter: voortdurende line-breeding biedt geen mogelijkheid om het type te verbeteren, omdat er onvoldoende. genetische variatie overblijft om nieuwe combinaties uit te ontwikkelen.
Daarom zal een fokker out-cross moeten toepassen om de genetische variatie in huis te halen, op basis waarvan hij dan weer zijn lijn kan proberen te verbeteren.
Deze aanpak geldt uiteraard voor het hele ras. Verbeteringen in het ras kunnen alleen worden bereikt als er voldoende genetische variatie voorhanden is om uit te kiezen. Helaas wordt deze variatie door de inzet van een beperkt aantal reuen ontzettend beperkt.
BEPERK HET AANTAL DEKKINGEN PER REU
Mijn advies is dan ook: beperk het aantal dekkingen per reu. Natuurlijk moeten goede honden hun genen kunnen doorgeven aan toekomstige generaties, maar is het nu echt waar dat slechts één hond zo superieur is dat dit een exclusief gebruik rechtvaardigt? Ik denk het niet.
Er zijn veel ‘quality dogs’ die ingezet kunnen worden. De enige mogelijkheid om het ras ook in de toekomst gezond te houden en te verbeteren is derhalve het inzetten van zoveel mogelijk verschillende honden, zodat zij hun genen kunnen doorgeven aan toekomstige generaties. Zodoende kan de genetische variatie binnen het ras blijven bestaan, want alleen dan kunnen fokkers het ras verbeteren en gezondheidsproblemen in de toekomst voorkomen.
Dr. Jeff Sampson is sedert 1998 werkzaam als Canine Genetics Coördinator van de Engelse Kennel Club. Voor die tijd was hij verbonden aan de Universiteit van Leicester. Zijn laboratorium leverde een belangrijke bijdrage aan het in kaart brengen van het genetische bouwpakket van honden. Hij heeft show- en fokervaring met de Schipperkes van de familie.
Vertaling: Roswitha Buytendijk | |
|